BestellenCentraal Planbureau

Bestel nu hét boek over de kredietcrisis

HomeNieuwsInhoudOver het boekBestellen
English

Hoofdstuk 8. Wie draagt het pensioenverlies?

Referenties [ CPB | Algemeen | Wetenschappelijk ]       Noten

Auteurs

Jan Bonenkamp, Casper van Ewijk, Thijs Knaap, Harry ter Rele & Ed Westerhout
Contact: Jan Bonenkamp

In dit hoofdstuk

  • Pensioenfondsen hebben zware verliezen geleden op de beurs. Waarom worden pensioengelden eigenlijk met risico belegd en niet veilig opgeborgen?
  • Pensioenfondsen hebben nagelaten hun deelnemers goed te informeren over de onzekerheid in de hoogte van hun pensioen.
  • Het is een goede zaak dat minister Donner de pensioenfondsen in deze tijd van grote onzekerheid iets meer tijd heeft gegeven voor het nemen van maatregelen.
  • We mogen toekomstige generaties best een gedeelte van het pensioenverlies laten betalen, als we maar rekening houden met het feit dat de crisis hun inkomens verlaagt.
  • Om hun tekorten aan te zuiveren kunnen pensioenfondsen meer premie heffen, of minder pensioen uitbetalen. Kunnen ze daartussen naar eigen believen kiezen, of moeten er richtlijnen worden opgelegd door de overheid?
  • Ongelijk verdeeld Onzekerheid Arbeidsinkomen Theorie

    Het consumptieverlies naar geboortejaar is ongelijk verdeeld

    Grafiek

    Grote onzekerheid in het consumptieverlies

    Grafiek

    Verlies jongeren groter door lager inkomen uit arbeid over hun leven

    Grafiek

    De verdeling van het verlies volgens het theoretische model is minder ongelijk

    Grafiek
    Stop | Play

    Referenties

    CPB

  • Ed Westerhout, Martijn van de Ven, Casper van Ewijk en Nick Draper, 2004, Naar een schokbestendig pensioenstelsel - Verkenning van enkele beleidsopties op pensioengebied, CPB Document 67, Den Haag.
    De verslechtering van de financiële positie van pensioenfondsen vraagt om een diepgaande analyse. Daarnaast noopt de aankomende vergrijzing van de bevolking tot een analyse van het stelsel van aanvullende pensioenen. Dit document besteedt aandacht aan economische, budgettaire en welvaartseffecten van enkele pensioenhervormingen.
  • Algemeen

  • Jan Bonenkamp, Casper van Ewijk, Harry ter Rele en Ed Westerhout, 2009, Herstel dekkingsgraad pensioenfondsen vergt grote inkomensoffers, Economisch Statistische Berichten 94, pp 166-169.
    Verlenging van de hersteltermijn voor pensioenfondsen tot vijf jaar voorkomt bij veel pensioenfondsen impopulaire maatregelen zoals forse premieverhogingen en afstempeling. De consequentie is wel dat indexatie voor vele jaren wordt opgeschort. Oudere werknemers ondervinden hiervan de grootste schade.
  • Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2009, Korte termijn herstelplannen van pensioenfondsen. Den Haag.
    Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legt uit waarom hij heeft besloten pensioenfondsen meer tijd te geven om hun reserves op peil te brengen.
  • Harry van Dalen en Kène Henkens, 2009, Overheid winnaar in vertrouwenscrisis pensioenbeheer, Me Judice, jaargang 2, 2 maart.
    Er is na de recente daling van de dekkingsgraad sprake van een duikeling van het vertrouwen in pensioenfondsen. Na een aantal jaren in het verdomhoekje te hebben gezeten komt de overheid nu als winnaar uit de betrouwbaarheidstest.
  • Wetenschappelijk

  • Robert C. Merton, 1969, Lifetime Portfolio Selection under Uncertainty: The Continuous-Time Case, Review of Economics and Statistics 51, pp 247-257.
  • Paul A. Samuelson, 1969, Lifetime Portfolio Selection by Dynamic Stochastic Programming, Review of Economics and Statistics 51, pp 239-246.
    Bovenstaande twee artikelen concluderen dat mensen de gevolgen van een aandelenschok zoveel mogelijk moeten uitsmeren over de rest van hun leven. Bij gepensioneerden gebeurt dat door de consumptie aan te passen, jongeren kunnen naast consumptie gebruik maken van de mogelijkheid om meer of minder te werken. Daarom kunnen jonge deelnemers in hun beleggingen ook meer risico lopen dan oudere deelnemers.
  • Lans Bovenberg, Ralph Koijen, Theo Nijman en Coen Teulings, 2007, Saving and investing over the life cycle and the role of collective pension funds, De Economist 155, pp 347-415.
    Dit artikel geeft een overzicht van de literatuur over optimale besparingen en investeringen over de levenscyclus.
  • Harry van Dalen en Kène Henkens, 2006, Vertrouwen in pensioenfondsen: wie kennis vermeerdert..., Economisch Statistische Berichten 91, pp 616-618.
    Het vertrouwen in pensioenfondsen is in de jaren 2004-2006 toegenomen. Dit blijkt overigens alleen het geval bij deelnemers die zichzelf veel pensioenkennis toeschrijven. Bij deze groep is het vertrouwen in de overheid - lees de AOW in de toekomst - juist gedaald.
  • Casper van Ewijk, Pascal Janssen, Niels Kortleve en Ed Westerhout, 2008, Optimale pensioenen en FTK. Netspar NEA paper. Tilburg.
    Over het Financieel Toetsingskader en de balans tussen efficiëntie en de stabiliteit van het pensioenstelsel.

  • Noten

  • p.149: Verlies Nederlandse pensioenfondsen
    De gemiddelde dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen is tussen eind 2007 en begin 2009 gedaald van 140 procent naar 95 procent. Omgerekend naar absolute euro's komt dat grofweg neer op een totaal verlies van ruim 200 miljard euro, waarvan ongeveer zestig procent komt door de daling van het aandelenvermogen en veertig procent door de stijging van de verplichtingen als gevolg van de lagere rente.

  • p.155: Scenario voor herstel
    Het scenario voor herstel is gebaseerd op een representatieve middelloonregeling met voorwaardelijke indexatie. Pensioenfondsen zien af van nominaal korten (afstempelen) en gebruiken indexatiekorting en premieverhoging om binnen maximaal vijf jaar weer aan de minimale dekkingseis van 105 te voldoen. Het achterliggende rekenmodel veronderstelt een verdeling van pensioenfondsen op basis van de hoogte van de dekkingsgraad, gebaseerd op zo recent mogelijke informatie. De gepresenteerde cijfers ten aanzien van dekkingsgraad, indexatiekorting en premieopslag betreffen dus een gewogen gemiddelde van deze fondsen.

  • p.156: Figuur 8.1
    De vermogensverliezen van pensioenfondsen en het verlies aan menselijk kapitaal worden gepresenteerd als relatieve mutaties in de private consumptie. Daarbij wordt simpelweg aangenomen dat mensen gedurende hun leven een (reëel) vast bedrag consumeren per jaar. Vanwege de productiviteitsstijging van 1,7 procent per jaar zal elke generatie wel 1,7 procent meer kunnen consumeren per jaar dan de generatie die een jaar eerder geboren is.

  • p.156: Contante-waardeberekeningen
    Voor alle contante-waardeberekeningen in het hoofdstuk geldt dat deze zijn berekend met een reële discontovoet van drie procent.

  • p.158: Scenario's
    In het verwachte scenario voor herstel wordt uitgegaan van een gemiddeld reëel aandelenrendement van 4½ procent per jaar. In het optimistische en pessimistische scenario wordt verondersteld dat het aandelenrendement in de periode 2009-2013 hiervan afwijkt en gelijk is aan respectievelijk 10,6 procent en -3,6 procent. In de drie scenario's is het gewicht van aandelen in de portefeuille hetzelfde en gelijk aan vijftig procent. De andere helft van het vermogen bestaat uit vastrentende activa met een reëel rendement van 1½ procent.

  • p.161: Menselijk kapitaal
    Ten gevolge van de kredietcrisis wordt de waarde van menselijk kapitaal structureel vijf procent lager. In dit hoofdstuk worden de baten en lasten van de overheid niet meegenomen, zodat menselijk kapitaal gedefinieerd is als de contante waarde van de loonkosten exclusief belastingen en sociale premies, maar inclusief pensioenpremies. Uitgaande van een loonsom in 2009 van circa 215 miljard euro (dit is inclusief zelfstandigen) komt het totale verlies aan menselijk kapitaal voor alle huidige en toekomstige generaties uit op ruim 700 miljard euro. Hiervan komt ongeveer 180 miljard voor rekening van de huidige generaties en 520 miljard voor rekening van de toekomstige generaties. De schok in menselijk kapitaal wordt direct in 2009 volledig ingezet.

  • p.161: Standaardmodel
    In het standaardmodel wordt verondersteld dat individuen uitsluitend via het pensioenfonds sparen. Er zijn dus geen private besparingen. Het pensioenfonds maximaliseert het levensnut van generaties door de juiste keuze van het premie- en beleggingsbeleid. Onder aanname van constante relatieve risicoaversie belegt ieder individu dezelfde fractie van zijn totale vermogen (financieel vermogen en menselijk kapitaal) in aandelen. Jongeren hebben uiteraard nog nauwelijks financieel vermogen terwijl ouderen nog maar weinig menselijk kapitaal hebben: als percentage van hun financieel vermogen beleggen jongeren in dit model dus veel meer in aandelen dan ouderen. Jongeren kiezen bewust voor het risico, dat zowel positief als negatief kan uitvallen. Zij verkiezen het hogere gemiddelde rendement en nemen de kans op een slecht resultaat op de koop toe.

  • p.162: Theorie van Merton en Samuelson
    De toepassing van de theorie van Merton en Samuelson betekent dat de contante waarde van de consumptie over het resterende leven van de huidige generaties moet worden verminderd met het financiële vermogensverlies van de pensioenfondsen (200 miljard) en het verlies aan menselijk kapitaal (180 miljard). Daarbij moet gelden dat de relatieve daling in de jaarlijkse consumptie voor iedereen gelijk is. Gegeven de aanname van een vlak consumptieprofiel, becijferen wij dat individuen per jaar ongeveer 9¼ procent consumptie moeten inleveren ten opzichte van de situatie voor de kredietcrisis.

  • p.165: Verliezen verdelen over alle toekomstige generaties
    Als de verliezen door de kredietcrisis ook worden verdeeld over alle toekomstige generaties, dan zal de contante waarde van de consumptie over het resterende leven van alle generaties moet worden verlaagd met het financiële vermogensverlies van pensioenfondsen (200 miljard) en het totale verlies aan menselijk kapitaal (700 miljard). Dit grotere bedrag wordt dan gespreid over een veel groter aantal mensen. Dit levert voor elke generaties een jaarlijkse consumptiedaling op van ruim 6 procent.

  • Omhoog

    Inhoudsopgave

    • H1: Ontstaan van de bankencrisis
    • H2: Hoe een klein probleem groot werd
    • H3: De wereldhandel in z’n achteruit
    • H4: Tijdelijke crisis, blijvende schade?
    • H5: De woningmarkt in crisistijd
    • H6: Vallen en weer opstaan op de arbeidsmarkt
    • H7: Alle remmen los!
    • H8: Wie draagt het pensioenverlies?
    • H9: Banken aan de ketting
    • H10: Kredietcrisis en klimaatcrisis: de ene crisis lost de andere niet op
    • H11: Hoeveel pijn doet de crisis?
    • H12 (slotbeschouwing): Leren van de crisis

    < Vorig hoofdstuk
    Volgend hoofdstuk >
    Copyright 2009 CPB. Sitemap - Contact.