BestellenCentraal Planbureau

Bestel nu hét boek over de kredietcrisis

HomeNieuwsInhoudOver het boekBestellen
English

Hoofdstuk 12. Leren van de crisis

Referenties [ CPB | Algemeen | Wetenschappelijk ]       Noten

Auteurs

Casper van Ewijk & Coen Teulings
Contact: Coen Teulings

In dit hoofdstuk

  • De crisis is een crisis in de bankensector, niet een crisis van het economisch systeem in het algemeen.
  • De bankencrisis is geen morele crisis, maar uiteindelijk het gevolg van gebrekkige regulering.
  • Juist in tijden van crisis kan minder worden vertrouwd op de disciplinerende werking van het reputatiemechanisme.
  • Het is een misvatting om te denken dat aandeelhouders louter uit zijn op winst op korte termijn.
  • Na jaren van gelijkmatige economische ontwikkeling waren de economische instituties slecht voorbereid op een zeldzame maar grote schok (een 'zwarte zwaan').
  • Internationale financiele integratie is belangrijk om risico's beter te kunnen spreiden; dit levert meer groei en meer welvaart op.

  • Referenties

    CPB

  • Wim Suyker en Henri de Groot, 2007, China and the Dutch economy: Stylised facts and prospects, CPB Document 127, Den Haag.
    Over de gevolgen van de groei van China voor de Nederlandse economie. Stelt dat de consumenten er dankzij goedkope Chinese producten gemiddeld driehonderd euro op vooruit zijn gegaan.
  • Algemeen

  • Nassim Nicholas Taleb, 2008, The Black Swan, The Impact Of The Highly Improbable, Penguin Books Ltd.
    Prachtig boek over hoe unieke gebeurtenissen de wereldgeschiedenis bepalen en hoe mensen voortdurend het bestaan van deze ‘zwarte zwanen’ dreigen te vergeten.
  • Coen Teulings, 2007, Moraliteit en marktwerking, een verstandshuwelijk?, Annalen van het Thijmgenootschap, jaargang 95, aflevering 3.
    In dit artikel wordt op een eenvoudige wijze de wisselwerking besproken tussen markt en moraal, of tussen ethiek en economie. Emotie is een manier om ons te binden aan onze beloften en goede bedoelingen, en draagt daarmee bij aan het goed functioneren van onze samenleving.
  • Wetenschappelijk

  • Daron Acemoglu, januari 2009, The Crisis of 2008: Structural lessons for and from economics, MIT.
    Behartigenswaardige verhandeling over de crisis en hoe er weer uit te komen, met wijze lessen in bescheidenheid voor economen.
  • Robert H. Frank, 1988, Passions within Reason, Norton Company.
    Analyse over de oorsprong van ons moreel besef en onze emoties, en hun strategische rol in het economische proces. De auteur is zowel econoom als psycholoog.
  • John Kenneth Galbraith, 1954, The Great Crash. Mariner Books.
    Klassiek werk over de crisis van de jaren dertig. Over hoe speculatie in 1929 tot de ineenstorting van Wall Street leidde en wat we daarvan kunnen leren.
  • Maurice Obstfeld, 1994, Risk Diversification, and Growth, American Economic Review 84, pp 1310-1329.
    De auteur toont aan dat financiële integratie een groot positief effect heeft op de economische groei en de welvaart in de wereld.
  • Robert J. Barro, 2006, Rare Disasters and Asset Markets in the Twentieth Century, Quarterly Journal of Economics 121, pp. 823-866.
    De econoom Robert Barro spreekt over dergelijke zeldzame, maar ingrijpende schokken als catastrofes of rampen (disasters). Dat kunnen oorlogen zijn of grote economische crises zoals de Grote Depressie van de jaren dertig. In statistische termen gaat het om gebeurtenissen uit de staart van de kansverdeling. Volgens Barro mogen die niet worden vergeten. Zo is bekend dat rendementen op aandelenmarkten ‘dikke staarten’ (fat tails) hebben; extreme uitslagen komen vaker voor dan de standaard normale verdeling voorspelt. Barro betoogt dat bij verwachtingen over rendementen ook met deze catastrofes rekening gehouden moet worden.
  • Robert Axelrod, 1997, The complexity of Cooperation: Agent-based models of competition and collaboration, Princeton University Press.
    Een prachtig boek, waarin op een leesbare wijze wordt geanalyseerd waarom mensen met elkaar samenwerken. De achtergrond is het spel van een herhaald gevangenendilemma. Axelrod is de 'uitvinder' van de 'tit-for-tat' strategie. Zeer fraai is zijn beschrijving van de samenwerking tussen vijandige partijen in de loopgraven in Noord-Frankrijk tijdens WO I.
  • Kenneth Binmore, 1994, Game Theory and the Social Contract, vol.1 en 2, MIT.
    Dit boek is zware wetenschappelijke kost. Over de betekenis van normen en overtuigingen in het spel van een herhaald gevangenendilemma. Het boek geeft ook een mooi overzicht van de betekenis van evolutionaire modellen voor de mogelijkheid van samenwerking in een herhaald gevangenendilemma.

  • Noten

  • p.225: Groei in China en India
    China en India hebben in de afgelopen decennia een duizelingwekkende maatschappelijke ontwikkeling doorgemaakt. Waren beide landen enige tientallen jaren geleden nog straatarm en in hoge mate geďsoleerd van de rest van wereld, heden ten dage zijn zij economische grootmachten. Het vooruitzicht voor de komende decennia is dat het economisch belang van China en India in de wereld alleen maar zal toenemen. Vergeleken met de meest welvarende landen in de wereld is het gemiddelde inkomen per hoofd in beide landen nog steeds erg laag. In China is het ongeveer een kwart van het inkomen per hoofd in Nederland; in India is het nog minder. Niettemin is het gemiddelde inkomen in beide landen in de afgelopen decennia al verveelvoudigd. De ongekend hoge economische groei in China en India – gemiddeld 10% per jaar in China sinds 1990; in India kwam de groei in de buurt van dat cijfer, totdat de huidige crisis uitbrak – zijn het resultaat van ingrijpende politiekeconomische hervormingen. In China begonnen pragmatisten binnen de Communistische partij tegen het eind van de jaren zeventig te beseffen dat modernisering en economische vooruitgang onmogelijk waren binnen het strakke model van centrale leiding dat sinds 1949 was toegepast. In India begonnen politici in de loop van de jaren tachtig in te zien dat dirigisme de ontwikkeling van het land in de weg stond. In beide landen begonnen de beleidshervormingen met kleine, voorzichtige stappen in de richting van grotere economische vrijheid. Hoewel dergelijke processen nooit pijnloos zijn en vrijwel altijd gepaard gaan met nieuwe problemen – milieuschade is in zowel China als India een zeer ernstig en wijdverbreid probleem – zijn de resultaten spectaculair geweest. De hoge groeicijfers laten zien dat de landen over een enorm economisch potentieel beschikken. China is nu de tweede economie van de wereld, India is nummer vier.



    Van het CPB is eerder de volgende publicatie over China verschenen:
    The Chinese economy, seen from Japan and the Netherlands", CPB Memorandum 185, juli 2007.
    Centraal in dit onderzoeksverslag staat het economisch belang van China voor Nederland en Japan. Voor Nederland is vooral de China uitvoer naar Europa van belang.

    Over India is beschikbaar:
    "India and the Dutch economy: stylised facts and prospects", CPB Document 155, oktober 2007.
    Ook dit onderzoek richt zich op het economisch belang van een opkomende economische grootmacht voor Nederland. Met een hoofdstuk over de recente economische geschiedenis van India en structurele verandering in het land.

  • p.227: De lessen van Acemoglu
    Acemoglu begint met zich af te vragen waarom economen de crisis niet op tijd hebben onderkend. Hieraan waren drie gevestigde ideeën debet. De eerste was dat de conjunctuurcyclus was overwonnen, de tweede dat markten functioneren in een wereld zonder instituties, en de derde dat het reputatiemechanisme voorkomt dat gevestigde grote concerns als Enron en Lehman Brothers niet in de fout gaan. Ieder van deze noties was fout. De eerste onderschat dat risico inherent is aan economische groei en vergeet ook dat er altijd een (kleine) kans is op unieke, catastrofale gebeurtenissen, zoals de crisis van de jaren dertig. De tweede notie – waar Acemoglu zich overigens zelf zeker niet schuldig aan had gemaakt – vergeet dat markten slechts binnen heldere randvoorwaarden kunnen werken; marktwerking kan niet zonder begeleidende instituties en regulering. De derde notie over het reputatiemechanisme is te optimistisch gebleken en vereist volgens Acemoglu diepgaande herbezinning. Het reputatiemechanisme stelt dat mensen en instituties zich ‘goed’ gedragen omdat ‘slecht gedrag’ wordt afgestraft door verlies aan reputatie. Dit werkt niet als schade van reputatieverlies wordt afgewenteld op anderen of als de betrokken personen of bedrijven onmisbaar zijn vanwege specifieke kennis. De kredietcrisis is reden voor economen om hier nog eens goed naar moeten kijken.

    Tegenover deze problemen staat dat economen ook nu belangrijke lessen uit de theorie kunnen putten, aldus Acemoglu. Hij benadrukt het belang van instituties die economische groei bevorderen, zoals ruimte voor innovatie en creatieve destructie en hij waarschuwt voor oplevend protectionisme, industriepolitiek en doorschieten in overregulering van markten.

  • p.229: Normen
    Sociaal wetenschappelijke analyse van normen en moreel besef. Een veel gebruikte manier om moreel besef te analyseren is na te gaan hoe mensen het bekende spel 'gevangenendilemma' aanpakken. De dominante (= individueel rationele) strategie is daar verraad, de (collectief) efficiënte strategie is samenwerken. De vraag is wanneer en waarom mensen de collectief efficiënte strategie spelen. Grosso modo zijn daarvoor drie redenen:
    1. het gevangenendilemma wordt herhaald gespeeld, zodat verraad in toekomstige ronden kan worden afgestraft;
    2. mensen spelen het spel vooral met genetisch verwanten; een genetisch gecodeerde impuls voor samenwerking geeft dan een evolutionair voordeel omdat mensen met dat gen de collectief efficiënte strategie spelen; dat voordeel zorgt ervoor dat dit gen overleeft in de evolutionaire selectie;
    3. mensen zie elkaar voorafgaand aan het spel en kunnen geloofwaardig signaleren of ze zullen samenwerken (bijvoorbeeld door te blozen als ze liegen); het vermogen om je geloofwaardig te kunnen binden aan je belofte geeft opnieuw een evolutionair voordeel.

    Zie Binmore (1994, Game Theory and the Social Contract, vol.1 en 2, MIT.) en Axelrod (1997, The complexity of Cooperation: Agent-based models of competition and collaboration, Princeton University Press) voor (1) en (2), zie Frank (1988, Passions within Reason, Norton Company) voor (3). Voor geval (1) lijkt aanhoudend tweezijdige samenwerking een individueel rationele strategie te zijn, waar dus geen normbesef voor nodig is. Dat is echter te simpel: aanhoudend tweezijdig verraad is ook een individueel rationele strategie. Normbesef is dus nodig om elkaar ervan te overtuigen dat er wordt samengewerkt, zie Binmore. Dat dat overtuigen niet vanzelfsprekend is, blijkt uit de grote verschillen in onderling vertrouwen tussen landen, zie figuur 11.3, p 217. Voor een overzicht van deze discussie, zie Teulings (2007, Moraliteit en marktwerking, een verstandshuwelijk?, Annalen van het Thijmgenootschap, jaargang 95, aflevering 3).

  • p.234: Zwarte zwaan
    De analogie van de zwarte zwaan is afkomstig van de filosoof Karl Popper en had betrekking op de onmogelijkheid om te bewijzen dat iets niet bestaat. Dat witte zwanen bestaan is eenvoudig aan te tonen, want wij nemen ze dagelijks waar. Maar om te bewijzen dat zwarte (of groene) zwanen niet bestaan, kun je niet volstaan met de bewering dat je ze nooit zijn waargenomen. Je kunt immers niet uitsluiten dat ze toch niet ergens in de oerwouden van Brazilië leven. Nassim Nicholas Taleb gebruikt in zijn boek The Black Swan de analogie van de zwarte zwaan voor zeldzame, unieke gebeurtenissen die een grote impact hebben op de geschiedenis. Overigens beschouwt hij de kredietcrisis niet als een zwarte zwaan, omdat men deze crisis naar zijn zeggen al van verre kon zien aankomen.


  • p.236: Groei en financiële markten: het model van Obstfeld
    Groei en risico gaan samen, dat is de basis van het model van Obstfeld (1994). Stel dat een ondernemer kan kiezen tussen twee projecten: een veilig project met goed voorspelbare uitkomsten en een risicovol, innovatief project dat mogelijk veel winst oplevert maar ook een grote kans heeft om te mislukken. Het tweede project kan alleen aantrekkelijk zijn als tegenover het grotere risico ook een gemiddeld hogere winst staat. De ondernemer moet zijn financiers immers een hoger verwacht rendement kunnen bieden tegenover het grotere risico. Dit is de fundamentele afruil tussen rendement en risico. En het is ook een afruil tussen groei en risico. Immers, innovatieve projecten leveren ook een hogere productiviteitswinst op en dus economische groei.

    In de economie als geheel komt er een evenwicht tot stand tussen enerzijds de voorkeuren van consumenten, die een afkeer hebben van risico, en de productiemogelijkheden van de ondernemers. Hoe kleiner de risicoafkeer van consumenten, des te hoger zal de groei zijn. Hier ligt de sleutel tot de rol van financiële markten. Door risico’s op wereldschaal te spreiden worden de risico’s voor de individuele consument/belegger beperkt. In economische termen: de prijs van risico daalt door internationale integratie van financiële markten. Dat maakt het voor ondernemers mogelijk om meer risicovolle projecten te kiezen. Met als gevolg dat de groei in de wereld gemiddeld toeneemt.

    Op basis van een zeer gestileerd model berekent Obstfeld dat de groei kan toenemen van 1,6875 procent tot 2 procent. Dit levert een welvaartswinst op van 37 procent. Hij werkt het model ook uit voor afzonderlijke landen; daarbij vindt hij dat met name Duitsland van financiële integratie profiteert, met een winst van maar liefst 70 procent. Obstfeld plaatst zelf ook grote vraagtekens bij de directe empirische toepasbaarheid van deze berekeningen. Dat neemt niet weg dat zij een belangrijke indicatie geven voor het mogelijke belang van financiële integratie in de wereld.


  • Omhoog

    Inhoudsopgave

    • H1: Ontstaan van de bankencrisis
    • H2: Hoe een klein probleem groot werd
    • H3: De wereldhandel in z’n achteruit
    • H4: Tijdelijke crisis, blijvende schade?
    • H5: De woningmarkt in crisistijd
    • H6: Vallen en weer opstaan op de arbeidsmarkt
    • H7: Alle remmen los!
    • H8: Wie draagt het pensioenverlies?
    • H9: Banken aan de ketting
    • H10: Kredietcrisis en klimaatcrisis: de ene crisis lost de andere niet op
    • H11: Hoeveel pijn doet de crisis?
    • H12 (slotbeschouwing): Leren van de crisis

    < Vorig hoofdstuk
    Copyright 2009 CPB. Sitemap - Contact.